Phytophtora

De Aardappelziekte of phytophthora is een plantenziekte die veroorzaakt wordt door de oömyceet (waterschimmel) Phytophthora infestans. Oömyceten lijken erg op schimmels, maar zijn het niet. Daarom worden ze wel pseudo-schimmels genoemd. Het woord phytophthora is afkomstig van het Griekse phytón, “plant” en phthorá, “destructie”: “de plantvernietiger”.
Phytophthora is een probleem van alle aardappeltelers. Bestrijding van de ziekte is vooral een kwestie van preventie en beheersing. Doel van het teeltvoorschrift is dan ook om de verspreiding van en besmetting met Phytophthora te beheersen. Het is verplicht om de belangrijkste bronnen te bestrijden. Dit zijn aardappelafvalhopen, phytophthorahaarden en aardappelopslagplanten. NAK voert de controle op de bestrijdingsplicht uit. De locaties van aardappelafvalhopen, grote ziektehaarden en percelen met veel opslagplanten kunnen gemeld worden bij het centrale meldpunt:
Tel: 0527 635432 of Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
 
PHYTOPHTHORAKenmerken van Phytophthora in uw volkstuin of moestuin
Phytophthora herkent u aan bruinzwarte vlekken op het blad, waarbij aan de onderkant van het blad, op de grens van ziek en gezond, met name onder vochtige omstandigheden wit schimmelpluis ontstaat. Op de stengels ontstaan dan bruin-zwarte vlekken, die vaak beginnen in de bladoksels. Op de knollen zelf vormt Phytophthora bruinachtige, iets ingezonken lekken; de knol is roestbruin verkleurd.

Aardappel behoort tot de plantenfamilie Solanaceae (Nachtschadigen), de familie waartoe bijvoorbeeld ook andere cultuurgewassen zoals tomaat (Solanum lycopersicum L.), paprika (Capsicum annum L.), aubergine (Solanum melongena L.) en tabak (Nicotiana tabacum .) behoren, naast een aantal onkruiden zoals bijvoorbeeld zwarte nachtschade (Solanum nigrum L.) en bitterzoet (Solanum dulcamara L.). Deze planten zijn dus ook gevoelig voor phytophtora.

 
Waarom aardappelplaag voorkomen?
Het loof sterft volledig af en daardoor zal de productie dus niet heel groot zijn. Maar het meest vervelende  is dat een groot deel van de knollen ziek worden en niet meer gegeten kunnen worden, ook tijdens het bewaren worden nog veel knollen ziek. Zorg dat u alle knollen verwijdert uit het aangetaste stuk grond, achtergebleven knollen blijven de schimmel vasthouden en dat is zeker niet goed als u op hetzelfde deel weer andere groente gaat kweken.De ziekte ontwikkelt zich als volgt:
  1. De spore van aardappelziekte heeft water nodig om te kiemen bij een matige temperatuur.
  2. 3 tot 5 dagen na de infectie zijn kleine vlekjes zichtbaar op de bladeren, maar  ook op de stengel.
  3. De vlekjes worden al snel groter.
  4. In het begin zien die vlekjes er waterachtig, wat glazig uit.
  5. Enkele dagen later zijn het droge, verdorde vlekken.
  6. De vlekken zijn vaak omringd door een lichtere gele zone.
  7. Ook stengels kunnen aangetast worden.
  8. Bij sterke aantasting en veel regen kan de infectie doorzetten tot in de knollen.

  

Preventief

Natuurlijk mogen wij de preventie van aardappelplaag niet uit het oog verliezen.

  • Een ruime rijafstand zodat het loof goed kan opdrogen.
  • Pas om de vier jaar terugkeren op hetzelfde perceel met aardappelen.
  • Opslagplanten en afvalhopen verwijderen.
  • Gekeurd pootgoed gebruiken (dit is op diverse ziekten en aantastingen gekeurd en onderzocht).
  • Vroeg gewas (voorkiemen of vroeg rijpend ras nemen).
  • Evenwichtige bemesting en juiste plantenafstand.
  • Op percelen die aangetast zijn wordt het aangetast loof verwijdert, de knollen kunnen dan nog afrijpen. Het loof gaat mee met het huisvuil.
  • Tolerante rassen kiezen. Let wel, resistentie bestaat niet!
  • Neem bij de bespuiting ook de aan de aardappel verwante planten mee om aantasting en verspreiding door deze planten te voorkomen.

 

Het is zaak de kieming van de sporen van de aardappelplaag voor te zijn. In principe moet de behandeling tijdig gestart worden zodat ook de onderste bladeren beschermd worden. Dit is nog moeilijk te verwezenlijken als het gewas helemaal dicht gegroeid is en al in bloei staat. Best wordt met de bespuiting begonnen als de planten elkaar in de rij beginnen te raken.

 

 

Indien er al aardappelplaag aanwezig is moeten de zieke plekken zo grondig mogelijk verwijderd worden en onmiddellijk gevolgd worden door een bespuiting. Zo kan je de kieming van sporen – (afkomstig van de zieke planten) - op het gezonde aardappelloof voorkomen.

 

Bespuiting

Bij het bespuiten moet het loof volledig nat worden. De planten goed bevochtigen, maar afdruipen van de spuitvloeistof voorkomen. Dit betekent bij een volgroeid gewas meestal zo’n tien liter water per 100 m².

De aandroogtijd van de middelen schommelt, afhankelijk van het middel, tussen de 1 en maximaal 6 uur. Het hoeft dus geen hele dag droog te blijven vooraleer een behandeling kan uitgevoerd worden. Een viertal uur is meestal voldoende.

 

Hou rekening met de wachttijd van het product, meestal twee tot drie weken voor het oogsten. Vooral belangrijk bij de vroege aardappelen. Behandel enkele rijen die je binnenkort wenst te oogsten dan maar niet.

 

Bespuiting gebeuren bij vochtig, warm weer met bijna dagelijks regen op zijn minst wekelijks. Bij normaal weer, toch op zijn minst drie keer tijdens de junimaand. Daarna zou het ergste achter de rug moeten zijn, behalve bij de late aardappelen, waar we langer door moeten gaan met de bespuitingen.
Het behoort tot de wettelijke plicht van iedere aardappelteler, professional of liefhebber, om de aardappelplaag te voorkomen en indien nodig te bestrijden!

 

Productkeuze
Vraag advies in uw professioneel (tuin)centrum omtrent de te gebruiken producten. Er is een verschil in erkenningen tussen Vlaanderen en Nederland. Zo is bijvoorbeeld in België het gebruik van koperhoudende producten (contact, preventief) erkend in de biologische teelt van aardappelen, maar in Nederland niet.
Gebruik een afwisseling van minstens twee producten, liefst één met preventieve contactwerking die de kieming van de sporen verhindert en één met terugwerking (curatief) die de kieming van de sporen onderbreekt (moderne middelen).